Artikel 79

Toepassing van het Bevoegdheids- en Executieverdrag

  1. Tenzij deze verordening anders bepaalt, is het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968(7), hierna "Bevoegdheids- en Executieverdrag" genoemd, van toepassing op de procedures betreffende ingeschreven Gemeenschapsmodellen en aanvragen om ingeschreven Gemeenschapsmodellen, alsmede op de procedures betreffende vorderingen die worden ingesteld op grond van Gemeenschapsmodellen en nationale modellen welke gelijktijdige bescherming genieten.
  2. De bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag die krachtens lid 1 van toepassing zijn, zijn ten aanzien van een lidstaat alleen van kracht in de tekst van het verdrag die op dat tijdstip voor deze lidstaat geldt.
  3. Met betrekking tot procedures die het gevolg zijn van de in artikel 85 bedoelde rechtsvorderingen:
    (a) zijn artikel 2, artikel 4, artikel 5, leden 1, 3, 4 en 5, artikel 16, lid 4, en artikel 24 van het Bevoegdheids- en Executieverdrag niet van toepassing;
    (b) zijn de artikelen 17 en 18 van dat verdrag van toepassing binnen de grenzen van artikel 82, lid 4, van deze verordening;
    (c) zijn de bepalingen van titel II van dat verdrag die gelden voor personen met woonplaats in een lidstaat ook van toepassing op personen die geen woonplaats maar een vestiging in een lidstaat hebben.
  4. De bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag worden niet van kracht ten aanzien van een lidstaat waarvoor dat verdrag nog niet in werking is getreden. Totdat dat verdrag in werking is getreden, worden de in lid 1 genoemde procedures in de betrokken lidstaat beheerst door bilaterale of multilaterale overeenkomsten die zijn betrekkingen met de andere betrokken lidstaat regelen, of, als dergelijke overeenkomsten niet bestaan, door zijn nationale recht inzake de bevoegdheid, erkenning en executie van beslissingen.