Artikel 91

Bijzondere bepalingen inzake verknochtheid

  1. Indien bij een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel een in artikel 81 bedoelde vordering - anders dan een vordering tot vaststelling van niet-inbreuk - is ingesteld en de geldigheid van het Gemeenschapsmodel al voor een andere rechtbank voor het Gemeenschapsmodel bij een reconventionele vordering wordt betwist of, indien het een ingeschreven Gemeenschapsmodel betreft, bij het Bureau al een vordering tot nietigverklaring is ingesteld, schorst die rechtbank ambtshalve, de partijen gehoord, of op verzoek van een partij en nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure, tenzij er bijzondere redenen zijn om de behandeling voort te zetten.
  2. Indien bij het Bureau een vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel is ingesteld en de geldigheid van het ingeschreven Gemeenschapsmodel al bij een reconventionele vordering voor een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel wordt aangevochten, schorst het Bureau ambtshalve, de partijen gehoord, of op verzoek van een partij en nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure, tenzij er bijzondere redenen zijn om de behandeling voort te zetten. Indien evenwel een van de partijen in de procedure voor de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel daarom verzoekt, kan deze rechtbank, nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure schorsen. In dat geval zet het Bureau de procedure voort.
  3. Indien de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel de procedure schorst, kan zij voorlopige, inclusief beschermende, maatregelen bevelen voor de duur van de schorsing.