Artikel 170

Centrum voor bemiddeling

  1. Het Bureau kan, voor de toepassing van artikel 151, lid 3, een centrum voor bemiddeling instellen („het centrum”).
  2. Alle natuurlijke of rechtspersonen kunnen vrijwillig onderlinge geschillen, op basis van deze verordening of Verordening (EG) nr. 6/2002, aan het centrum voorleggen om deze in der minne te laten regelen.
  3. De partijen doen met een gemeenschappelijk verzoek beroep op bemiddeling. Het verzoek wordt geacht niet te zijn ingediend zolang de desbetreffende vergoeding niet is betaald. Overeenkomstig artikel 178, lid 1, wordt het bedrag van de vergoeding door de uitvoerend directeur bepaald.
  4. In geval van een procedure voor de oppositieafdelingen, de nietigheidsafdelingen of de kamers van beroep van het Bureau kan te allen tijde, nadat een oppositie, een vordering tot vervallen- of nietigverklaring, of beroep tegen een beslissing van een oppositie- of nietigheidsafdeling is ingesteld, een gezamenlijk verzoek tot bemiddeling in het geschil worden ingediend.
  5. De procedure wordt geschorst en de termijnen, met uitzondering van de termijn voor betaling van de toepasselijke taks, worden met ingang van de datum van indiening van het gezamenlijk verzoek onderbroken. De termijnen lopen verder vanaf de datum waarop de procedure wordt hervat. 2017
  6. De partijen worden uitgenodigd om samen uit de in lid 12 bedoelde lijst een bemiddelaar te kiezen die heeft verklaard dat hij de betrokken taal van de bemiddeling beheerst. Indien de partijen niet binnen 20 dagen na de uitnodiging een bemiddelaar hebben gekozen, wordt de bemiddeling geacht te zijn mislukt.
  7. De partijen bepalen samen met de bemiddelaar de nadere regels voor de bemiddeling in een bemiddelingsover­ eenkomst.
  8. De bemiddelingsprocedure wordt afgesloten zodra de partijen een minnelijke schikking treffen, een van de partijen verklaart de bemiddeling te willen beëindigen, of de bemiddelaar vaststelt dat de partijen er niet in zijn geslaagd een schikking te treffen.
  9. De bemiddelaar stelt de partijen en de bevoegde dienst van het Bureau er onverwijld van in kennis dat de bemidde­ lingsprocedure is afgesloten.
  10. Eenieder die bij de bemiddeling is betrokken, in het bijzonder de bemiddelaar, de partijen en hun vertegenwoor­ digers, is omtrent de daarbij gevoerde besprekingen en onderhandelingen tot geheimhouding verplicht. Alle tijdens de bemiddeling overgelegde stukken en gegevens worden apart gehouden, buiten de dossiers van andere voor het Bureau gevoerde procedures.
  11. De bemiddeling verloopt in een van de door de partijen overeen te komen officiële talen van de Unie. Met betrekking tot geschillen die bij het Bureau aanhangig zijn, verloopt de bemiddeling, tenzij de partijen anders overeenkomen, in de taal van de desbetreffende procedure.
  12. Het Bureau stelt een lijst op van bemiddelaars die de partijen moeten helpen bij het beslechten van hun geschillen. De bemiddelaars zijn onafhankelijk en beschikken over de vereiste vaardigheden en ervaring. De bemiddelaars op de lijst kunnen al dan niet in dienst zijn bij het Bureau.
  13. Bemiddelaars betrachten onpartijdigheid bij de uitvoering van hun opdracht en maken bij hun aanstelling melding van reële of mogelijke belangenconflicten. De leden van de in artikel 159 genoemde instanties met beslissings­ bevoegdheid van het Bureau nemen niet deel aan bemiddeling in zaken:
    (a) waarin zij reeds betrokken waren bij een aan bemiddeling onderworpen procedure;
    (b) waarbij zij persoonlijk belang hebben, of c) waarbij zij reeds als vertegenwoordiger van een der partijen waren betrokken.
  14. Bemiddelaars nemen niet als lid van de in artikel 159 genoemde instanties met beslissingsbevoegdheid van het Bureau deel aan een procedure die wordt hervat na het mislukken van een bemiddeling.
  15. Het Bureau kan met andere erkende nationale en internationale instanties voor bemiddeling samenwerken.